NAAR PAGINA: 1 2 3 4 5 6 7 89 101112

PASTICHES

"Open Letter to Survivors" van Francis M.Nevins (EQ's Book of First Appearences 1982). begint met een lijn uit (Hoofdstuk 10) van "Ten Days' Wonder": "En dan was er de zaak Adelina Monquieux. Gebonden door een overeenkomst met de executeurs van het testament van deze wonderlijke dame, mag de merkwaardige oplossing pas in 1982 (sic, 1972 in het origineel!) onthuld worden" Nevins neemt hier de draad op in dit verhaal uit 1972 rond een niet nader genoemde "grote whodunit-schrijver die massa's zaken voor de New Yorkse politie tot een goed eind bracht" die naar Adelina Monquieux's huis komt. Adelina's erfenis voorziet in een nalatenschap ten gunste van haar drie identiek uitziende zonen Xavier, Yves & Zachary die elk een half miljoen dollars zullen erven met daarenboven de opbrengst van een half miljoen dollar in een trust. Haar nicht Marie krijgt enkele honderd duizenden. De overblijvende twintig miljoen dollar zullen naar een goed doel gaan en natuurlijk wordt Adelaline vermoord! Alhoewel de naam van de detective in het verhaal nooit wordt vermeld is diens identiteit overduidelijk.
Nils Hardin samensteller en auteur van de fanzine "Xenophile" gaf in juni 1975 een speciaal Ellery Queen-nummer uit, hij probeerde er een persiflage genaamd "The Ghana Word Mystery" door L.Ray Quaine, maar om één of andere reden werden, op de titel en twee geschrapte lijnen na, resulteerde dit jammer genoeg in twee blanco pagina's ingevoegd.

Detective Comics No. 459 - Mei 1976 Op de kaft zien we Alfred Pennyworth, de naderende politie, een zich ontmaskerende Batman en Elliot Quinn’s lichaam. (Tekeningen: J.L.Garcia Lopez - Editing: Julius Schwartz)Marty Pasko schreef het script voor een 12 pagina Batmanstripverhaal "A Clue Before Dying" (Detective Comics No. 459 - mei 1976) Batman probeert de dader te vinden van de moordenaar van detectiveschrijver Elliot Quinn, die mogelijks jaren terug ook de een architect ombracht in Quinn's huis.Niet alleen een eerbetoon aan Queen maar in het verhaal komt wel degelijk ook "een" Lt. Dannay voor!

Terwijl hij zijn werk uit 1981 'The Great Detectives' schreef viel wijlen Julian Symons niet alleen de eer te beurt om Fred in Larchmont te ontmoeten. Hij werd ook in de gelegenheid gesteld om een theorie naar voor te brengen waarmee hij beweerde dat er eigenlijk twee Ellery’s moeten geweest zijn -- de eerste met de pince-nez en de latere  post “Halfway House” Hij construeeerde een theorie dat de eerste Ellery in werkelijkheid Ellery's jongere broer, Dan was. Fred dacht dat de theorie zeer vindingrijk was maar dan Julian de veranderingen die mensen ondergaan onderschat hij ging zelfs zover om de theorie niet overtuigend was. Julian voorzag zijn wedervaren met de pastiche 'Dan and the blonde Sabrina' een verhaal rond een vermist beeldje 'Sabrina'.
Het is echt spijtig dat vele van deze verhalen praktisch onbeschikbaar zijn... Jon Breen beschrijft 'The Persian Fez Mystery of "The Tragedy of Q" van Joe R. Christopher als "één van de meest intelligente aanpakken van de Queen style. Men vind ze terug in het (30 kopijen) vriendenboek "Queen's Books Investigated" of "Queen is in the Accounting House" en het onthult dat Elroy Queep "..alleen in zijn boeken de politie te slim af was, in het echte leven waren zijn suggesties steeds verkeerd..."
Meer recent bevatte de 70ste verjaardagseditie van EQMM twee pastiches . Edward D.Hoch's "The Circle of Ink"
(EQMM, september 1999) plaatste Ellery en zijn nog steeds getrouwde vader (Jesse Sherwood) in Universiteitsmiddens en in Jon L.Breen's "The Gilbert and Sullivan Clue" kwam Ellery in aanraking met Y2K. Edward Hoch zorgde er zelfs voor dat Ellery Wrightsville nog eens aandeed in "The Wrightsville Carnival" (EQMM september/oktober 2005).
In maart 2002 voerde ik een 'discussie' op een lezersforum rond het verhaal 'And on the Eight Day' Hieropvolgend probeerde Dale C. Andrews het schrijven van een 'nieuw' soort pastiche uit. Het voorziet een bestaand verhaal van een epiloog. Dale was zo vriendelijk het verhaal hier aan te bieden. Het is, vanzelfsprekend, voorzien van een 'spoiler warning' dus als je de ontknoping niet wil zien kijk dan vooral elders!  
Onze correspondentie gaf uiteindelijk aanleiding tot het schrijven van de pastiche "The Book Case" (Dale Andrews en Kurt Sercu). Het verhaal werd gepubliceerd in EQMM (2007) en kwam aandraven met een hoogbejaarde Ellery Queen die Harry Burke hielp bij het vinden van de dader.Ellery's hulp werd ingeroepen omdat het slachtoffer werd gevonden midden in een collectie van zijn boeken....

Ellery Queen is waarschijnlijk één van weinige auteurs die zelf
een hoofdrol kreeg in een detective pastiche. James Holding, die ook verantwoordelijk was voor de jeugdserie rond Queen schreef ook een serie pastiches, op zichzelf waardige mysteries te noemen. Het betrof een serie waarin King Danforth en Martin Leroy bedenkers van de detective "Leroy King" misdaden ophelderen gedurende hun trip rond de wereld. De titels van deze verhalen verwijzen naar de eerste Queen-werken:. 

  The Norwegian Apple Mystery, November, 1960
  The African Fish Mystery
April 1961
  The Italian Tile Mystery,
September, 1961
  The Hong Kong Jewel Mystery,
November, 1963.
  The Zanzibar Shirt Mystery,
December, 1963.
  The Tahitian Powder Box Mystery,
October, 1964.
  The Japanese Card Mystery,
October, 1965.
  The New Zealand Bird Mystery,
January, 1967
  The Philippine Key Mystery,
February, 1968.
  The Borneo Snapshot Mystery,
January, 1972.

De auteur-uitgever verscheen zelfs onverhuld in twee detective-verhalen met een MWA-achtergrond. Robert Arthur's "The 51st Sealed Room" (EQMM oktober 1951)  begint op een MWA bijéénkomst in New York, ze is voorzien van een aantal inside-jokes en commentaren die voornamelijk interessant zullen zijn voor collega detectiveschrijvers en komt uiteindelijk ook bij een moord terrecht. Er is sprake van de, toenertijd nog gehouden, jaarlijkse wedstrijd van EQMM. Tevens komt er iemand in voor die, wanneer hij met een idee naar voor komt voor een gesloten-kamermoord, zegt:"...wanneer Carr en Queen en de anderen boven dit zullen lezen zullen ze zich vast afvragen waarom ze er niet zelf op gekomen zijn..." Brett Halliday is nog zo'n schrijver die de indruk wil wekken dat de MWA meeting onafwendbaar tot moord aanleiding geven. Zijn in 1954 geschreven novelle "She woke to Darkness" begint dan ook op het jaarlijkse MWA murder award diner. Verteller Halliday krijgt ernstige problemen nadat hij een meisje ontmoet en ziet zich genoodzaakt de hulp in te roepen van Mike Shayne. Gedurende het bewuste diner vraagt Frederic Dannay aan Halliday om een ander verhaal te schrijven voor de EQMM wedstrijd. Ook Manfred Lee wordt vermeld; hij diende verstek te laten gaan voor het diner omwille van ziekte in de familie. Bepaalde aspecten van dit verhaal vinden we ook terug in de tv-aflevering  "Murder by the Book" van Columbo"

Ook Ellery Queen, de uitgever van het detective magazine, bleef
niet gespaard. Hij speelde een bepalende rol in verschillende kortverhalen m.b.t. verhalen die aan het magazine werden aangeboden. Het vroegste voorbeeld hiervan kan misschien worden teruggevonden in Baynard Kendrick's artikel over waargebeurde misdaadverhalen "The Case of the Stuttering Sextant"
(EQMM maart 1947) waar de inleiding werd gebracht door Clayton Rawson in de stijl van een Queenverhaal.
Dan
is er ook Rick Rubin's "The Man who hated Editors" (EQMM mei 1960) Het verhaal draait rond een niet zo succesvol schrijver die een ongewoon plan beraamd om met die uitgevers komaf te maken die zijn werk weigerden. Eén van deze uitgevers is deze van "Emory Quinn Mystery Magazine"
Marge Jackson had een ander idee van dezelfde strekking  in "Dear Mr.Queen, editor"
(EQMM april 1963) Zij vertelt over het verhaal dat wordt ingediend door de moeder van 4 kinderen die zowel een reeds gebeurde moord ontrafeld als een toekomstige moord aankondigd. EQ als zeer ongeruste uitgever probeert de tweede moord te voorkomen.
"The Clementine Caper"
(EQMM, november 1956) van Larry Van Benthuysen heeft ook te maken met de uitgave van een verhaal in EQMM. Een doodgewone huisvrouwe, Alice, leest in het dagblad een artikel over een pas ontdekt lichaam, dit wordt de basis van haar speculatie rond de moord en lijdt uiteindelijk tot de volgende conversatie met haar man, George:

Alice: George, luister. Clementine werd vermoord, zeg
       ik je en ik kan het bewijzen ook.
George: Moet ik Ellery Queen bellen of kun je de
        boosdoener alleen aan?
Alice: Wat zijn we grappig... Misschien schrijf ik dit
       wel op en stuur het naar EQMM, wordt rijk en
       beroemd en dan kunnen we scheiden.

Alice lost de moord op en krijgt haar publicatie in EQMM maar ...ze scheidt niet van George...
James Holding verwerkte een buitenlandse editie van EQMM in 'The Inquisitive Butcher of Nice'
(EQMM, juli 1963) waarin één van de figuren zegt: "De polite zal kwaad zijn als we ook maar iets beroeren....ze zullen ongetwijfeld zoeken naar vingerafdrukken, sporen, tekenen van een gevecht. Zo wordt het toch altijd gedaan in Ellery Queen's Mystery Magazine dewelke ik maandelijks lees."
Het was Allen Lang die misschien wel het meest praktische nut voor EQMM vond. Zijn "The Trail of the Catfish"
(EQMM januari 1962) gaat over een detective Max Holloway wiens job bestaat uit het achterhalen van de die personen die bibliotheekboeken stelen. Tijdens zo'n speurtocht gebruikt hij EQMM letterlijk als wapen.
Steeds meer worden de naam en het werk van Ellery Queen belangrijker en beïnvloedt het anderen. Zo ook is bijvoorbeeld Margaret Austin's 'Introducing Ellery's Mom'
(EQMM juli 1962) een voorbeeld van een verhaal uit de jaren 60 waarin figuren naar Ellery Queen genoemd zijn. Dit was net zo in Josh Pachter's "E.Q.Griffin Earns his Name" (EQMM december 1968) en "E.Q. Griffen's Second Case" (EQMM mei 1970). Het derde verhaal rond de Griffen familie, "Sam Buried Caesar," (EQMM augustus 1971) focust zich meer op Ellery's broer Nero Wolfe Griffen 
William Brittain schreef "The Man who Read Ellery Queen"
(EQMM december 1965) over Arthur Mindy, een alerte tachtigjarige die in een bejaardentehuis wordt opgenomen onder de voorwaarde dat hij zijn de enige bezitting die hij waardevol acht, zijn complete Queen-collectie, mag meenemen. In het home lost hij een misdaad op a la EQ door gebruik te maken van pure logica en krijgt het ultieme compliment door te worden beloond met de woorden: 'Dank u, Mr.Queen".
Richard M.Gordon schreef een slimme mysterie-parodie gebaseerd op Thomas Gray' gedicht genoemd "Ellery in a Country Churchyard"
(EQMM, september 1964)

De erkenning kwam ook buiten het detective-genre. Bvb.in het Jerome Chodorov en Joseph Field's toneelstuk uit 1954 genaamd "Anniversary Waltz", wordt de hoofdfiguur onderworpen aan een spervuur van vragen en weert deze af met de woorden "Wie denk je dat je bent, Ellery Queen?" Of nog aangetoond in de tekst van de Tavares hitsingle "Whodunit" door K.St.Louis en F.Perren:

       She went dancin’ in the dark, somebody stole her heart
       Ellery Queen if you’re so keen
       Won’t you help me find my sweet thing (Yeah, yeah)

( Referenties
 "from..... tqcb" van Nils Hardin in Xenophile #14, 1975
"The Misadventures from Ellery Queen EQMM Sep/Okt 2005

 

NAAR PAGINA: 1 2 3 4 5 6 7 89 101112

 


 
Inleiding | Plattegrond | Q.B.I. | Liist Verdachten | Wie?  | Q.E.D. | Moord en scene | Nieuw | Auteursrecht
Copyright
© MCMXCIX-MMVIII   Ellery Queen, een website rond deductie. Alle rechten voorbehouden.