
|
Mid-1904 werd Ralph Rexford Bellamy geboren in Chicago als kind van Charles Rexford Bellamy en Lilla Louise Smith. Uiteindelijk als oudste van drie kinderen. Zijn vader werkte in het Barnes Crosby publiciteitsagentschap. Tijdens zijn jeugd woonde hij in bij zijn grootmoeder langs moederszijde die weduwe was, met vader, moeder, broer en zus. Hij woonde in een appartement aan 5709 Kimberk Avenue aan Chicago's zuidzijde. Ze trokken weg uit Chicago toen hij 5 werd. Hij werd als doopgezinde opgevoed en stond dicht bij zijn roodharige grootmoeder; zijn eerste ervaring met de dood kwam met het overlijden van zijn 24 jarige broer en vervolgens zijn grootmoeder. Hij kreeg voor het eerst een semi-acteerklas (wat hij later omschreef als "hesp acteren') van zijn groottante Ella. Hij ging naar New Trier High School in Winnetka,
Illinois. Daar werd hij voorzitter van de Drama Club.
Kort daarna, zou hij er weggaan,
verbannen van de school omwille van roken op de campus.
Zo belande hij in 1922 in een reisgezelschap van
Shakespeareaanse toneel.
Later datzelfde jaar, trad op bij
het theater- en reportoire toneelgezelschap 'the
Chautauqua Road Company'. In 1929,
maakte hij zijn debuut in Town Boy .
Alhoewel hij ook hoofdrollen kreeg,
had Bellamy echter meer succes in
ondersteunende rollen als
"de andere man".
In een carrière op toneel en op het scherm die zestig jaar
overspande, speelde Bellamy
rollen die eigenlijk ruwweg in drie grote categorieën kunnen worden verdeeld: 1)
de rijke, betrouwbare, maar wat saaie figuur
die de bons krijgt van de hoofdrolspeelster, 2)
de detective die altijd zijn prooi
vind en 3)
de licht sinistere maar steeds stijlvolle slechterik.
Voornamelijk optredend in ondersteunende rollen zei Bellamy
trouwens vaak dat hij zichzelf nooit als hoofdrolspeler zag,
en dus ook niemand anders.
|

|
Hij kreeg een Oscarnominatie als Cary Grant's
rivaal voor de gunsten van Irene Dunne in "The Awful Truth"
(1937),
een film die in slechts zes weken werd gefilmd met
nauwelijks een script die naam waardig. De film
bestond meestal uit improvisatie.
Ralph parodieerde
zichzelf in de briljante komedie "His Girl
Friday" (1940).
Maar in 1942, viel zijn oog op een script dat op een producer's bureel lag. Hij had in de rand een omschrijving neergekrabbeld voor het kiezen van een bepaalde rol, "Rijke olieman uit het Zuidwesten - bekwaam, maar simpel en naïef. Een typische rol voor Ralph Bellamy." Hij besloot onmiddellijk om afstand te nemen van Hollywood en de typerollen die hij kreeg toebedeeld, wetende dat het niet meer dan een baan was. Hij nam hiermee weinig risico, daar hij op het hoogtepunt stond met zijn lucratieve Broadwaycarrière. Het geluk scheen hem ook toe te lachen, hij had een reeks van toneel en televisiesuccessen die hem hoger aansloegen dan welke van zijn vroegere films dan ook, en sporadisch ook de occasionele film. In 1943, speelde hij een antifascistische professor in een Broadway melodrama geschreven door James Gow en Arnaud d'Usseau, "Tomorrow the World" of "Tomorrow's World." In 1945, speelt hij een verafgode president's kandidaat in Howard Lindsay en Russel Crouse's Pulitzer Prize winnende komedie "State of the Union" (Spencer Tracy zou de rol in de film spelen).
In 1948 maakte hij zijn televisiedebuut in Philco Television Playhouse. Na de scheiding van zijn derde vrouw en door het betalen van de doktersrekeningen voor zijn dochter zat Bellamy op zwart zaad toen hij de rol van Detective McLeod, een overenthousiaste politieofficier, in Sidney Kingsley's drama "Detective Story" (1949) kreeg aangeboden. Het toneelstuk was een succes en leidde uiteindelijk tot zijn rol in de televisieserie "Man Against Crime."(aka "Follow that Man") die van 1949 tot 1954 liep. Hij speelde de vechtklare maar anders graag geziene detective Mike Barnett. De show was het eerste wekelijkse halfuur livedrama op netwerktelevisie, en hij won er een Academy of Radio and Television Arts and Sciences Award mee. In 1956 (28 dec) kreeg hij een rol in de tv-series Dick Powell's "Zane Grey Theatre" in de episode "Stars over Texas".
In 1958, zou hij FDR spelen in Dore Schary's Broadway stuk "Sunrise at Campobello" -- het is hier dat Bellamy zijn reputatie als acteur uitbouwde in zijn portretering van Franklin Delano Roosevelt. Door studie van de geschiedenis van FDR als man en politicus, maakte hij de personaliteit en de psyche van het karakter helemaal het zijne. Zo spendeerde hij weken in een rehabilitatie centrum en leerde er omgaan met braces, krukken en een rolwagen, omdat zijn rol van FDR, nadat deze door polio werd getroffen, realistisch en precies zou zijn. In zijn voorbereiding had hij uitvoerige gesprekken met Eleanor Roosevelt en haar kinderen. Hij noemde "Sunrise at Campobello" het "hoogtepunt van mijn professionele carrière." Het kan inderdaad worden gesteld dat de rol door Bellamy werd gedefinieerd en geperfectioneerd. Hij kreeg dan ook een Tony en New York's Critics Circle Award als beste acteur in Sunrise at Campobella en trad ook op in de daaropvolgende filmversie in 1960. Hij zou nog eens FDR spelen in de miniseries "The Winds of War" in 1983.
Hij trad regelmatig op in vele grote televisieseries zoals The Eleventh Hour (1963-1964), The Survivors (1969), The Mostly Deadly Game (1970), en Hunter (1976). Het was een terugkeer naar zijn 'oude' rollen als detective, slechterik, en 'andere' man in elk van deze series. Het was in 1969 dat Bellamy pas een radicale karakterwijziging doorvoerde door het spelen van diabolist in Rosemary's Baby. Regisseur John Landis gaf Bellamy's filmcarrière een grote boost door hem te laten spelen in Trading Places (1983), als de meedogenloze Wall Street manipulator en broer van Don Ameche. Zo komt hij terug met meerdere filmrollen bvb. Amazon Women on the Moon (1987), en Coming to America (1988, een cameo) en natuurlijk als weldoener, scheepsmagnaat in Pretty Woman (1990). Bellamy was ook één van de stichtende leden van 'the Screen Actors Guild' en vier termijnen lang voorzitter van Actors' Equity (tussen1952 en 1964). Hij wordt door zijn medeacteurs nog het meest herinnerd als de kampioen van de acteur's rechten. In zes jaar tijd verdubbelde hij Equity's bezittingen en richte het eerste pensioenfonds op voor acteurs. Bellamy leidde Actors' Equity doorheen de periode van politieke verdachtmaking in het McCarthy tijdperk door een werkgroep te vormen die de regels uitstippelde om leden te beschermen tegen onbewezen aantijgingen van vermeend lidmaatschap van of sympaties voor de Communistische partij. Hij zette zich ook actief in voor de afschaffing van de toegangstaks voor theaters en voor een belastingsheffing gebaseerd op het individueel inkomen van een acteur. Hij kreeg een ere-Oscar in 1986. Zijn autobiografie, "When the Smoke Hit the Fan," werd in 1979 gepubliceerd. Bellamy overleed in het St. John's Hospital and Health Center in Los Angeles aan een longaandoening om 2:18 a.m. Hij werd 87 jaar. Eerder die maand was hij er opgenomen omwille van zijn lang bestaande longziekte. |
t
e r u g n a a r L i j s t v a n
V e r d a c h t e n
|
|
| Inleiding | Plattegrond | Q.B.I. | Liist Verdachten | Wie? | Q.E.D.
| Moord en
scene | Nieuw |
Auteursrecht Copyright © MCMXCIX-MMV Ellery Queen, een website rond deductie. Alle rechten voorbehouden. |